De historie van de werkvoorziening na de mijnsluitingen

De Stichting PILON is voortgekomen uit een organisatie die zich na de mijnsluitingen zou bekommeren om het bieden van vervangende werkgelegenheid aan de vele mijnwerkers die elders emplooi moesten vinden. Wetgeving dwong de werkgever tot het nemen van maatregelen om een passende werkvoorziening aan te bieden.

Aankondiging mijnsluiting

De mijnsluiting die in 1965 werd aangekondigd door premier Den Uyl, zou enorme consequenties hebben voor de bevolking van het huidige Parkstad en de omgeving van Geleen. Tot dan was deze regio die veelzeggend de Mijnstreek werd genoemd, de energieleverancier bij uitstek van bijna heel Nederland geweest. Maar de arbeidsintensieve winning van kolen bleek op den duur niet meer rendabel, zo werd halverwege de jaren zestig duidelijk. Energiebronnen als gas, dat ook in Nederland was aangetroffen, en olie kwamen veel meer in trek. De kolenwinning zou in ijltempo afgebouwd worden. Met grote gevolgen.

Sociale Werkvoorziening

Los van de morele plicht die op de overheid en werkgevers rustte om zoveel dreigende werklozen van uitzicht op andere arbeid te voorzien, werd dit streven versterkt door een wettelijke plicht. In 1969 werd namelijk de Wet op de Sociale Werkvoorziening (WSW) van kracht, die regelt dat arbeidsgehandicapten met lichamelijk of psychische beperkingen hun arbeid moeten kunnen verrichten naar hun eigen mogelijkheden op een aangepaste werkplek of dito werkomgeving. Die verplichtingen die deze wet oplegt, vragen onze speciale aandacht. Op grond daarvan namen de mijnen maatregelen. De mijnsluiting verkeerde toen al in een gevorderd stadium. Zowel de Staatsmijnen (later DSM) als de particuliere mijnen, namelijk de Oranje Nassau mijnen te Heerlen e.o. alsmede de mijnen Laura & Vereniging te Eygelshoven, richtten elk een zogenaamd werkverband op. Dit verband had tot doel om in het kader van de WSW aan het eigen personeel, dat daarvoor in aanmerking kwam, aangepast werk aan te bieden. Als koepelorganisatie boven de drie genoemde werkverbanden fungeerde het werkvoorzieningschap, kortweg het ‘Schap’. Gemeenten en Schap droegen het risico van de resultaten van de werkverbanden van de voormalige mijnen, namelijk SBF en WPM. Wijzigingen in de financiering legden een zwaardere druk op de exploitatie. Aanvankelijk werd deze korting op de loonkostensubsidie door de werkverbanden weggewerkt dankzij positieve bedrijfsresultaten.

Het werkaanbod van WPM

De WPM bood in het kader van de sociale werkvoorzieningen arbeidsplaatsen in diverse bedrijven. Met deze industriële activiteiten van de WPM werden grotendeels eigen producten gefabriceerd. Zo maakte het speelgoedbedrijf houten puzzels voor jonge kinderen; deze productie was in 1975 geacquireerd en onder eigen naam Simplex op de markt gebracht. In het eigen meubelbedrijf werden massief eiken meubels en projectmeubelen vervaardigd, die onder de naam Thereca werden verkocht. Het metaalbedrijf maakte allerlei soorten kasten uit dun plaatmateriaal voor de kantoormarkt, die door verschillende grote ondernemingen onder eigen label op de markt werden gebracht.

Start van LICOM

Echter in de loop van de jaren werd het verschil tussen de loonkosten en de daarvoor toegekende subsidie alsmaar groter zodat dit gat op den duur niet meer met productiviteitsverhogingen opgevangen kon worden. Daardoor namen de verliezen van het Schap fors toe. Deze oplopende tekorten dwongen de gemeenten tot actie. Omdat zij meer grip op deze situatie wilden krijgen werd in 1996 een nieuw bedrijf gevormd. Door de overdracht van activiteiten van de werkverbanden ZOL (gemeenten), SBF en WPM (voormalige mijnen) kwam het nieuwe bedrijf LICOM (Limburgse Combinatie) tot stand; hiermee hielden de werkverbanden WPM en SBF op te bestaan.

Bevordering van werkgelegenheid voor mindervaliden

Bij de start van de WPM (in 1976) is tevens een zusterstichting – Bevordering Werkgelegenheid Mindervaliden (BWM) – opgericht met hetzelfde bestuur als de WPM. Op grond van de WSWregelgeving was het een werkverband namelijk niet toegestaan om rechtstreeks marktrisico te dragen. De commerciële risico’s werden in een andere stichting (BWM) ondergebracht dan de stichting die de baangarantie bood voor de medewerkers (WPM). Via een afzonderlijke stichting konden de particuliere mijnen Oranje Nassau en Laura dit toch doen om zo een optimaal resultaat voor de werkgelegenheid van mindervaliden te bewerkstelligen. De hiervoor aanvankelijk benodigde financiën werden door de particuliere mijnen ingebracht.

Hoe het vermogen te besteden

Het resultaat van de commerciële activiteiten van BWM is uiteindelijk positief geweest. Het vermogen waarover BWM na die herstructurering van de uitvoering van de WSW in 1996 beschikte, werd dan ook volledig aangewend om de verplichtingen van het werkverband af te wikkelen, alsmede voor de financiering van het sociaal plan voor de WPM-medewerkers. De lange afwikkelingstermijn en het gunstige beleggingsklimaat in die jaren hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat er vermogen resteerde dat blijvend ingezet kan worden voor de doelstellingen van de stichting: het stimuleren van werkgelegenheid en participatie. 

Een nieuwe start

Een nieuw startpunt breekt aan in 2011. Dan zijn alle verplichtingen van het voormalige werkverband afgewikkeld en is ook het sociaal plan van WPM medewerkers afgerond. Ook zijn de laatste vertegenwoordigers van Oranje Nassau en Laura uit het stichtingsbestuur getreden. Daarmee is een nieuwe fase aangebroken voor de stichting, nl die van de aanwending van de resterende middelen. De naam van de stichting BWM wordt in 2011 gewijzigd in stichting PILON, dat is de afkorting van Participatie- en Investeringsfonds Laura-/Oranje Nassaumijnen.